De keuze voor niet reguliere alternatieven voor de behandeling van bepaalde patiënten wordt gemaakt, als de zorgvraag verder reikt dan reguliere diergeneeskunde kan invullen, zoals bij klachten van huid, maag en darmen, gedrag, ledematen en wervelkolom. Inmiddels kennen wij de mogelijkheden en beperkingen van deze ‘wonderlijke’ geneeswijze.

Reguliere diergeneeskunde is de diergeneeskunde die dierenartsen op de universiteit leren. Regulier diagnosticeren en regulier (be)handelen gelden nog altijd als de onmisbare basis voor iedere praktiserende dierenarts! Reguliere diergeneeskunde kan heel veel wat homeopathie niet kan! Naast het feit dat de reguliere diergeneeskunde het belangrijkste deel uitmaakt van het zorgpakket, zorgen deze professionele ‘roots’ ervoor dat dierenartsen buitengewoon kritisch zijn bij de evaluatie van hun praktijkresultaten met homeopathie. Bij alle patiënten wordt pas na uitgebreide anamnese (verhaal van de eigenaar) en reguliere diagnostiek de keuze gemaakt: reguliere behandeling en/of homeopathie.

Zoals al aangegeven, de zorgvraag in de diergeneeskunde is veel groter dan evidence based (wetenschappelijk onderbouwde) diergeneeskunde kan invullen. Er is in de praktijk dan ook grote behoefte aan extra behandelingsmogelijkheden. De ‘leemte’ ontstaat doordat met regelmaat de juiste reguliere behandelingen simpelweg niet beschikbaar zijn, niet (voldoende) of (te) symptomatisch werken, bijwerkingen en/of heftige inviduele gevoeligheidsreacties (!) veroorzaken.

Een logisch gevolg daarvan is dat dierenartsen zich naast de universitaire diergeneeskunde verdiepen in mogelijke aanvullende kansen voor hun patiënten, o.a. in ‘oude geneeswijzen’. Deze hebben niet zonder reden ruim 200 jaar (homeopathie) of zelfs duizenden jaren (phytotherapie, acupunctuur) ‘overleefd’; de laatste jaren vaker tegen de verdrukking in. Net als van kunst en religie, moeten ook van wetenschap het erfgoed niet genegeerd, maar ervan geleerd worden.

Het in de praktijk bij herhaling registreren van dezelfde resultaten, na dezelfde behandeling, bij dezelfde indicatie, door verschillende praktiserende dierenartsen, onafhankelijk van elkaar, wereldwijd, levert inductief bewijs op voor klinische effectiviteit van homeopathie bij dieren.

Door methodisch handelen, zorgvuldig vastleggen van relevante informatie en retrospectieve evaluatie van de data kunnen we de juiste indicatiegebieden (in vakjargon: ‘geneesmiddelbeelden’) per diersoort (veel beter) leren kennen. Met betere geneesmiddelbeelden per diersoort neemt de (voorspelbaarheid van) effectiviteit toe. Bovendien worden zo meer kansrijke hypotheses gecreëerd voor betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek, dat moet worden uitgevoerd in kleinere specifieke groepen van patiënten, die het beste passen bij het homeopathisch middel dat bestudeerd wordt.

Zolang de juiste geneesmiddelbeelden per diersoort ontbreken, is iedere vorm van wetenschappelijke bewijsvoering kansloos. Onderbouwing van resultaten door middel van een verzameling zorgvuldig gedocumenteerde ‘praktijkervaringen’ omschrijven we als ‘empirical of experience based’.

De definitie van ‘evidence based veterinary medicine’ van de EBVMA (Evidence-Based Veterinary Medicine Association) geeft meer ruimte aan ‘klinische expertise’ en de ‘noden en wensen van de inviduele klant’:

“Evidence-based veterinary medicine is the formal strategy to integrate the best research evidence available combined with clinical expertise as well as the unique needs or wishes of each client in clinical practice. Much of this is based on results from research studies that have been critically-designed and statistically evaluated.”
(EBVMA 2011).

Deze definitie van evidence-based veterinary medicine in ruimere zin neemt empirie serieus, waar zorgvuldigheid en objectiviteit van de praktiserende dierenarts tegenover moet staan bij integratie van niet reguliere behandelmethodes in de reguliere praktijk en interpretatie van de resultaten.

Werkingsprincipe homeopathie

Homeopathie wordt gedefinieerd als een geneeswijze, waarbij een individuele patiënt (mens of dier) behandeld wordt met een gepotentiëerde verdunning van een middel, dat onverdund in staat is om bij een gezond mens of dier een ziektebeeld op te wekken, dat tot in details lijkt op het ziektebeeld van die individuele patiënt. In de homeopathie wordt dit het similia-principe genoemd.

Zeer hoge verdunningen

Het similia-principe zou gezien kunnen worden als een afgeleide van het in de farmacologie bekende ‘hormesis’ model. Hormesis houdt in dat giftige stoffen die in hogere doses schadelijk zijn (bijv. cellen doden), in lagere doses juist positieve effecten kunnen hebben (bijv. celgroei stimuleren).

Maar in de homeopathie worden zeer hoge verdunningen toegepast! Binnen de bandbreedte van ons huidige menselijke begrip is het ongeloofwaardig, dat er bijv. nog enig effect te verwachten is van in de homeopathie toegepaste verdunningen (ver) voorbij Avogadro (10-24). Evenmin is het vooralsnog niet aannemelijk, dat door trapsgewijs verdunnen en schudden (‘potentiëren’) de geneeskrachtige werking van een middel zal kunnen versterken.

Wetenschappelijke onderbouwing

Werkingsprincipe en klinische effectiviteit van homeopathie bij dieren zijn (nog) niet bewezen volgens de hedendaagse maatstaven van deugdelijk wetenschappelijk onderzoek (evidence based in engere zin). Een commissie van wetenschappers en ervaren homeopathisch werkende dierenartsen heeft een inventarisatie gedaan van internationaal beschikbaar onderzoek op het gebied van veterinaire homeopathie: geen enkel wetenschappelijk onderzoek voldoet aan de eisen.

Praktische beperkingen bij toepassing

Voornaamste bron van homeopathische kennis en ervaring voor toepassing bij dieren is de homeopathische materia medica (inclusief repertoria) voor en praktijkervaringen bij mensen; er is geen of (nog) veel te weinig beproefde materia medica voor dieren.

Twee andere praktische beperkingen zijn, dat homeopathie wordt verondersteld slechts het zelfgenezend vermogen van het lichaam te stimuleren en, dat dierenartsen in de praktijk te maken hebben met symptoom deficiënte patiënten. Bij bijv. veel huidklachten en epilepsie gevallen hebben we te weinig symptomen om het gelijkende middel te vinden. Omdat het middel tot in details gelijkend moet zijn is het spectrum van een homeopathisch middel zeer beperkt; niet voldoende gelijkenis betekent geen effect.

In de praktijk komt het erop neer, dat we regelmatig niet de juiste symptomen kunnen verzamelen en dus ook niet homeopathisch kunnen behandelen. De ‘symptoom deficiënte’ patiënt is een veel voorkomende oorzaak van het mislukken van homeopathie, omdat er geen middel gevonden en voorgeschreven kan worden of er wordt een verkeerd (gekozen) middel voorgeschreven